J.C. Bloem schreef voor zichzelve en voor u volgend gedicht :

 

De Bedelaar

 

Heet mij niet zitten aan uw blanke tafel,
Bij 't ongewende zilver en kristal;
Laat niet verkwijnen 't schoon van vuil en rafel
Naast uwer pronkgewaden purpren val.

Geef mij geen wildbraad, dat in duizelschijnen
Van spiegelende luchters dampend praalt;
Laaf mij niet met uw koelgestoopte wijnen,
Uit rag en vocht van kelders opgehaald.

Verstoot mij naar de lage, zwarte keuken:
Onder der zware balken molm en roet
Ete ik uit vaatwerk, bros van bruine breuken,
De simple spijze, die vermoeide voedt.

Daar zullen uw dienaren, na volbrachte
Dagtaak, zich rond mij scharen bij den haard,
En naar den wijze luistren, die hun nachten
Met woorden, diep van nieuwen droom, verklaart.

Wanneer mijn lijf gesterkt is en mijn voeten
Geheeld zijn, ga ik heen bij 't avondrood.
Niet als een vreemde zal 'k den nacht gemoeten:
Hij brengt mij wel naar de' einder, die steeds vlood.


 

 

 

 

 

          

 

 

 

 

 

 



 

 

                                                                                   

                                                                      

  

 

 Uit de Kunst


 Wim Kunst
 SCHOONHOVEN

 



E-mail : info@uitdekunst.nl